Voltaire en Candide: filosofische wortels van de strijd om het goede
Het is 1759. In een Parijse salon buigt een grijzende man zich over een manuscript. Zijn pen krast woedend over het papier terwijl buiten de koetsen voorbijratelen. François-Marie Arouet, beter bekend als Voltaire, schrijft de zinnen die een heel continent aan het denken zullen zetten over de aard van het goede en het kwaad. Wat dreef deze denker tot zijn scherpe satire, en welke filosofische tradities vormden de brandstof voor zijn strijd? De schaduw van Leibniz Om Voltaires Candide te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de filosoof tegen wie hij zich zo fel verzette: Gottfried Wilhelm Leibniz. Deze Duitse denker had in zijn Theodicee uit 1710 betoogd dat wij leven in “de beste van alle mogelijke werelden”. God, als volmaakt wezen, kon immers niet anders dan de meest perfecte werkelijkheid scheppen. Elk kwaad dat wij waarnemen, zo redeneerde Leibniz, is noodzakelijk voor een groter goed dat ons begrip te boven gaat. Voltaire had aanvankelijk sympathie voor dit optimistische wereldbeeld. Maar de aardbeving van Lissabon in 1755, waarbij tienduizenden mensen omkwamen, schudde hem wakker. Hoe kon een liefhebbende God toestaan dat onschuldige kinderen onder puin werden bedolven? De abstracte redeneringen van Leibniz leken plotseling obsceen in het licht van zoveel […]