Montaigne over tekort en verbinding: vrijmetselaarswijsheid

Vrijmetselarij - Montaigne over tekort en verbinding: vrijmetselaarswijsheid

Het is laat in de avond. Een vrijmetselaar zit na de zitting alleen in de voorhal van de loge, zijn rituaalhandschoenen nog in de hand. De woorden van die avond draaien door zijn hoofd: broederschap, vertrouwen, het besef dat alles wat je werkelijk nodig hebt al in je aanwezig is. Hij pakt het versleten exemplaar van de Essays van Michel de Montaigne uit zijn tas en slaat het open bij het veertigste essay van het eerste boek: Dat we niets te kort komen. Wat hij leest, voelt als een echo van wat hij zojuist in de tempel heeft ervaren.

Een filosoof die het genoeg omarmt

Michel de Montaigne schreef zijn essay Dat we niets te kort komen als een meditatie over de menselijke neiging om altijd meer te willen, terwijl de natuur ons heeft toegerust met alles wat we werkelijk nodig hebben. Hij betoogde dat onze ontevredenheid niet voortkomt uit een feitelijk gebrek, maar uit de ongebreidelde verwachtingen die we onszelf opleggen. De natuur, zo stelde hij, heeft ieder wezen precies datgene gegeven wat het nodig heeft om te leven en te gedijen. De mens is daarop geen uitzondering, maar maakt zich door eigen toedoen ongelukkig.

Dit is geen naïef optimisme. Montaigne was een scherpe waarnemer van menselijk leed, van oorlog, ziekte en verlies. Zijn punt is subtieler: het is niet de wereld die ons tekortdoet, maar ons eigen onvermogen om te zien wat we al bezitten. Daarmee plaatst hij zich in een traditie die teruggaat tot Seneca, tot Epictetus, tot de stoïcijnse gedachte dat innerlijke rijkdom niet afhankelijk is van uiterlijke omstandigheden. Maar waar Seneca de nadruk legt op discipline en wilskracht, kiest Montaigne voor een warmere, menselijkere toon. Hij nodigt ons uit tot zelfreflectie zonder zelfkastijding.

De ruwe steen die al heel is

Binnen de vrijmetselarij is het beeld van de ruwe steen die bewerkt moet worden tot een zuivere kubus een van de meest krachtige metaforen voor persoonlijke ontwikkeling. Maar Montaignes essay werpt een verrassende vraag op: wat als die ruwe steen niet zozeer onvolmaakt is, maar eerder onontdekt? Wat als het werk van de vrijmetselaar niet bestaat uit het toevoegen van iets nieuws, maar uit het weghalen van de sluiers die verhinderen dat we zien wat er al is?

Dit idee vindt weerklank in de vrijmetselaarsreis van duisternis naar licht. De zoekende die voor het eerst de loge betreedt, is geblinddoekt. Niet omdat hij blind is, maar om hem bewust te maken van wat hij niet ziet wanneer hij denkt te zien. Het licht dat hij ontvangt, is geen vreemd licht van buitenaf. Het is een herkenning van wat altijd al aanwezig was. Montaigne zou dit herkennen. Zijn gehele filosofische project draaide om de vraag: wat weet ik eigenlijk, en wat denk ik slechts te weten?

Vrijmetselarij leert ons niet dat we tekort komen, maar dat we nog niet hebben ontdekt hoe volledig we al zijn.

Broederschap als spiegel van heelheid

Montaigne was geen kluizenaar. Hoewel hij zich terugtrok in zijn beroemde torenkamer om na te denken en te schrijven, was hij diep verbonden met de mensen om zich heen. Zijn vriendschap met Étienne de La Boétie beschreef hij als een van de meest vormende ervaringen van zijn leven, een band die verder ging dan gewoonte of nut. “Omdat hij het was, omdat ik het was,” schreef hij, als verklaring voor hun onverklaarbare verbondenheid.

In de vrijmetselarij is broederschap geen vrijblijvend begrip. Het is de erkenning dat we door verbinding met anderen dieper tot onszelf kunnen komen. De loge functioneert als een ruimte waarin broeders elkaar de spiegel voorhouden, niet om tekortkomingen bloot te leggen, maar om elkaars volheid zichtbaar te maken. Dit is wat Montaigne bedoelde met zijn stelling dat we niets te kort komen: de ander is geen aanvulling op een gebrek, maar een bevestiging van wat we in onszelf dragen. Ware broederschap ontstaat niet uit behoefte, maar uit herkenning.

De deugd van het genoeg

Een van de kernwaarden van de vrijmetselarij is de beoefening van deugd, niet als uiterlijk vertoon, maar als innerlijke houding. Montaigne sluit hier naadloos bij aan. In zijn essay betoogt hij dat ware deugd niet bestaat uit het vergaren van meer kennis, meer bezit of meer status, maar uit het juiste gebruik van wat ons al gegeven is. Hij verwijst naar Aristoteles, die stelde dat geluk voortkomt uit het vervullen van je eigen aard, niet uit het najagen van andermans idealen. En hij echoot Plato, die in zijn dialogen herhaaldelijk betoogde dat de ziel al het ware in zich draagt en slechts herinnerd hoeft te worden.

Voor de vrijmetselaar vertaalt dit zich naar de dagelijkse praktijk van zelfreflectie. Het ritueel in de loge is geen magisch procédé dat iets toevoegt aan wie je bent. Het is een gestructureerde uitnodiging om stil te staan bij wat je al weet, al voelt en al bent. De waterpas, de winkelhaak en de passer zijn geen werktuigen die iets nieuws creëren. Ze leggen de verhoudingen bloot die er al zijn, maar die in het dagelijks leven verdwijnen onder de drukte van oppervlakkige bezigheden.

Waarden die resoneren

  • Zelfreflectie: Montaigne en de vrijmetselarij delen de overtuiging dat eerlijk naar jezelf kijken de basis is van alle groei.
  • Innerlijke groei: beide tradities zien ontwikkeling niet als het verwerven van iets extern, maar als het ontsluieren van wat intern al aanwezig is.
  • Broederschap: de diepste verbinding ontstaat niet uit tekort, maar uit wederzijdse herkenning van gedeelde menselijkheid.
  • Deugd als levenskunst: niet het naleven van regels, maar het cultiveren van een innerlijke houding die recht doet aan je eigen natuur.

Waarom dit essay vandaag nog spreekt

We leven in een tijd waarin het gevoel van tekort bijna als motor van de samenleving functioneert. Reclame, sociale vergelijking en de constante stroom van informatie voeden het idee dat we nooit genoeg zijn, nooit genoeg weten, nooit genoeg hebben. Montaigne schreef zijn essay meer dan vierhonderd jaar geleden, maar zijn boodschap is urgenter dan ooit. De vrijmetselarij biedt een plek waar die boodschap niet alleen gelezen, maar ook ervaren kan worden. In de stilte van de tempel, in de rituele handelingen die generatie na generatie worden herhaald, klinkt dezelfde waarheid die Montaigne op papier zette: je komt niets te kort. Het enige wat nodig is, is de moed om dat te geloven en ernaar te leven.

Michel de Montaigne herinnert ons eraan dat de zoektocht naar heelheid niet begint bij wat we missen, maar bij wat we vergeten zijn. De vrijmetselarij biedt daarvoor een uniek kader: een broederschap die niet samenkomt uit gebrek, maar uit het verlangen om samen te ontdekken wat er altijd al was. In die gedeelde ontdekking ligt misschien wel de diepste vorm van verbinding, het besef dat we allemaal dezelfde ruwe steen dragen, en dat die steen, als we goed kijken, al heel is.


Ontvang de nieuwsbrief

In 18 informatieve e-mails krijg je wekelijks informatie over de Vrijmetselarij.

Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E

Veelgestelde vragen

Wat is de hoofdstelling van Montaignes essay 'Dat we niets te kort komen'?

Montaigne betoogt dat onze ontevredenheid niet voortkomt uit een feitelijk gebrek, maar uit de ongebreidelde verwachtingen die we onszelf opleggen. De natuur heeft elk mens precies datgene gegeven wat hij nodig heeft, maar ons onvermogen om te zien wat we al bezitten, maakt ons ongelukkig.

Hoe verhoudt het Montaigne-essay zich tot vrijmetselaarswijsheid?

Het essay sluit aan bij de vrijmetselaarsreis van duisternis naar licht. Net zoals de ruwe steen niet zozeer onvolmaakt is maar onontdekt, gaat het vrijmetselaarswerk niet om iets nieuws toevoegen, maar om sluiers weg te halen die verhinderen dat we zien wat er al in ons aanwezig is.

Wat is het verschil tussen Montaignes benadering en de stoïcijnse traditie?

Hoewel Montaigne zich aansluit bij stoïcijnse denkers zoals Seneca en Epictetus over innerlijke rijkdom, kiest hij voor een warmere en menselijkere toon. Waar Seneca de nadruk legt op discipline en wilskracht, nodigt Montaigne uit tot zelfreflectie zonder zelfkastijding.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*