Montaigne: Dat we niets te kort komen – Inhoud & Samenvatting

Vrijmetselarij - Montaigne: Dat we niets te kort komen – Inhoud & Samenvatting

Een lege tafel, een eenvoudige maaltijd, een glas water. Voor de meeste mensen in de zestiende eeuw was dat het dagelijks leven. Toch beschreef Michel de Montaigne in zijn veertigste essay van het eerste boek een inzicht dat ook in onze tijd van overvloed nog ongemakkelijk actueel is: wij komen niets te kort. Niet omdat we alles bezitten, maar omdat de natuur ons reeds heeft toegerust met wat werkelijk nodig is. Dit essay, bescheiden van omvang maar diepgaand van strekking, nodigt uit om voorbij de oppervlakte van bezit te kijken en te ontdekken welke rijkdom er al in ons verscholen ligt.

De kerngedachte: de natuur als volmaakte geefster

In ‘Dat we niets te kort komen’ betoogt Michel de Montaigne dat de mens van nature alles bezit wat hij nodig heeft om een goed leven te leiden. De natuur, zo stelt hij, heeft ons niet halfslachtig uitgerust. Zij heeft ons lichaam gegeven dat bestand is tegen kou en hitte, een geest die in staat is tot bezinning, en zintuigen die ons in verbinding brengen met de wereld om ons heen. Het probleem is niet dat we te weinig hebben ontvangen. Het probleem is dat we kunstmatig behoeften hebben geschapen die ons het zicht op die oorspronkelijke volledigheid ontnemen.

Montaigne keert zich hiermee tegen de klacht die hij bij vele tijdgenoten hoorde: dat het menselijk bestaan gebrekkig zou zijn, dat de mens naakt en weerloos ter wereld komt in vergelijking met dieren die klauwen, vacht of vleugels hebben. Deze klacht, die al door Plinius de Oudere was verwoord, draait Montaigne met elegante nuchterheid om. Juist het ontbreken van een vaste uitrusting geeft de mens zijn grootste gave: aanpassingsvermogen. De mens is niet gebonden aan één manier van overleven, maar kan zich voegen naar elke omstandigheid.

Voorbeelden uit de oudheid en de natuur

Om zijn punt kracht bij te zetten, haalt Montaigne een reeks voorbeelden aan die typerend zijn voor zijn eclectische denktrant. Hij verwijst naar volkeren die zonder kleding leven in barre klimaten, naar de Spartanen die hun kinderen in soberheid opvoedden, en naar de Stoïcijnse filosoof Seneca, die de kracht van eenvoud benadrukte. Ook Socrates komt voorbij: de wijsgeer die op blote voeten door de sneeuw liep en bewees dat het lichaam tot meer in staat is dan we onszelf toestaan te geloven. Deze voorbeelden zijn voor Montaigne geen curiositeiten, maar bewijzen dat onze vermeende behoeften culturele constructies zijn, geen natuurlijke noodzakelijkheden.

Daarnaast kijkt Montaigne naar het dierenrijk. Dieren leven met wat de natuur hun geeft, zonder ontevredenheid over wat zij missen. Een hert klaagt niet over het ontbreken van klauwen; een vis betreurt niet dat hij geen vleugels heeft. De mens daarentegen, zo observeert Montaigne met een mengeling van humor en ernst, is het enige wezen dat zichzelf arm voelt terwijl het in overvloed leeft.

De lege beker als spiegel van innerlijke rijkdom

Stel u een eenvoudige beker voor, leeg, op een kale tafel. Vanuit het dagelijkse perspectief zien we leegte, een gemis, iets dat gevuld moet worden. Maar vanuit een andere blik is die lege beker juist het tegenovergestelde: hij is beschikbaar, open, ontvankelijk. Hij is niet te kort gekomen; hij is precies wat hij moet zijn om te ontvangen wat er komt. Dit beeld raakt de kern van wat Montaigne probeert te zeggen. De mens die zichzelf als onvolledig beschouwt, ziet alleen de leegte. De mens die beseft dat hij al toegerust is, ziet de ruimte die hem in staat stelt te groeien.

In de vrijmetselarij klinkt dit motief herkenbaar door. De ruwe steen, het beeld van de mens aan het begin van zijn innerlijke reis, is niet gebrekkig. Hij is ruw, zeker, maar hij bevat al het potentieel van de volmaakte kubus. De arbeid aan de steen is geen aanvulling van iets dat ontbreekt, maar een onthulling van wat er altijd al was. Zo bezien lopen Montaignes filosofische intuïtie en de maçonnieke traditie langs eenzelfde pad: niet het gebrek vormt het uitgangspunt, maar de erkenning dat de kern reeds heel is.

Wie beseft dat de natuur hem reeds heeft toegerust met alles wat wezenlijk is, zoekt niet langer buiten zichzelf naar wat alleen binnenin gevonden kan worden.

Tevredenheid als filosofische oefening

Montaigne presenteert tevredenheid niet als passiviteit of berusting, maar als een actieve filosofische houding. Het gaat er niet om dat we niets meer moeten nastreven, maar dat we ons bewust worden van de drijfveer achter ons streven. Wie iets najaagt vanuit het gevoel dat hij onvolledig is, zal nooit genoeg vinden. Wie handelt vanuit het besef dat hij al heel is, ervaart elke stap als verrijking in plaats van als noodsprong. Dit onderscheid is subtiel maar ingrijpend, en het loopt als een rode draad door veel van Montaignes essays. Zoals hij ook in zijn beroemde beschouwingen over de opvoeding en over de eenzaamheid betoogt, is de innerlijke gesteldheid bepalender dan de uiterlijke omstandigheden.

Epicurus, die Montaigne regelmatig aanhaalt, formuleerde het kernachtig: het is niet de mens die het meest bezit die het rijkst is, maar de mens die het minst behoeft. Dit epicurische inzicht verbindt Montaigne met zijn eigen observaties over volkeren in de Nieuwe Wereld, die hij beschrijft als levend in een staat van natuurlijke overvloed, niet omdat zij meer hadden, maar omdat zij minder verlangden.

De spiegel voor de hedendaagse lezer

In een tijd waarin consumptie, vergelijking en het verlangen naar meer diep verankerd zijn in het dagelijks bestaan, klinkt Montaignes boodschap bijna provocerend. Dat we niets te kort komen is een bewering die haaks staat op vrijwel elke reclameboodschap, elk sociaal medium en elke economische prikkel die ons omringt. Toch is het precies die frictie die dit essay zo waardevol maakt. Het daagt uit om stil te staan bij een ongemakkelijke vraag: wat als het genoeg al bereikt is, en we het alleen nog niet herkennen?

Voor wie vertrouwd is met de vrijmetselarij zal deze vraag niet vreemd klinken. De inwijding in de loge begint niet met het ontvangen van iets nieuws, maar met het ritueel afleggen van uiterlijkheden. Pas wanneer de kandidaat ontdaan is van zijn dagelijkse versierselen, kan hij ontdekken wat er van nature al in hem aanwezig is. Montaigne zou dat gebaar ongetwijfeld herkend hebben als een bevestiging van zijn eigen stelling: de mens komt niets te kort. Hij hoeft alleen te leren zien wat hij reeds bezit.

Michel de Montaignes essay ‘Dat we niets te kort komen’ is een beknopt maar krachtig pleidooi voor een andere manier van kijken. Niet naar wat ontbreekt, maar naar wat aanwezig is. Niet naar schaarste, maar naar de natuurlijke volheid die in ieder mens besloten ligt. Als de lege beker ons leert dat beschikbaarheid geen gebrek is, dan leert Montaigne ons dat de mens zijn grootste rijkdom al bij de geboorte heeft ontvangen. Het is aan ons om die rijkdom te erkennen, net zoals de vrijmetselaar leert om in de ruwe steen niet het gebrek te zien, maar de belofte van wat kan worden onthuld.


Ontvang de nieuwsbrief

In 18 informatieve e-mails krijg je wekelijks informatie over de Vrijmetselarij.

Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E

Veelgestelde vragen

Wat is de hoofdstelling van Montaigne in zijn essay 'Dat we niets te kort komen'?

Montaigne betoogt dat de mens van nature alles bezit wat nodig is voor een goed leven. De natuur heeft ons niet onvolledig uitgerust met lichaam, geest en zintuigen. Het probleem is niet gebrek, maar dat we kunstmatig behoeften hebben geschapen die ons afleiden van de oorspronkelijke volledigheid die we al bezitten.

Hoe beantwoordt Montaigne de klacht dat de mens naakt en weerloos ter wereld komt?

Montaigne draait deze klacht om. Juist het ontbreken van een vaste natuurlijke uitrusting (zoals dieren die klauwen of vacht hebben) geeft de mens zijn grootste gave: aanpassingsvermogen. Dit stelt hem in staat zich naar elke omstandigheid te voegen en overal te overleven, wat dieren niet kunnen.

Welke voorbeelden gebruikt Montaigne om aan te tonen dat onze behoeften culturele constructies zijn?

Montaigne verwijst naar volkeren die zonder kleding in barre klimaten leven, de Spartanen die hun kinderen in soberheid opvoedden, de Stoïcijnse filosoof Seneca die eenvoud benadrukte, en Socrates die op blote voeten door de sneeuw liep. Deze voorbeelden bewijzen dat onze vermeende behoeften niet natuurlijk noodzakelijk, maar culturele uitvindingen zijn.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*