Montaigne over ongelijkheid: de filosofische wortels

Vrijmetselarij - Montaigne over ongelijkheid: de filosofische wortels

Wanneer Michel de Montaigne schrijft dat de afstand tussen twee mensen kleiner is dan wij denken, doet hij meer dan een bescheiden observatie. Hij velt een filosofisch oordeel dat geworteld is in eeuwen van denken over menselijke waarde, uiterlijke schijn en innerlijke deugd. Zijn tweeënveertigste essay uit het eerste boek van de Essays, ‘Over de ongelijkheid die er tussen ons heerst’, is geen losse gedachte maar een knooppunt waar stoïcijnse ethiek, sceptische twijfel en renaissancehumanisme samenkomen. De vraag die hij opwerpt, raakt aan iets dat ook in de vrijmetselarij centraal staat: als uiterlijk vertoon niets zegt over de ware aard van een mens, wat bepaalt dan zijn werkelijke rang?

Een stelling die doorbrandt: uiterlijk versus innerlijk

Montaigne opent zijn essay met een paradox die als een brandglas het zonlicht bundelt. Hij stelt dat wij voortdurend ongelijkheden aanbrengen tussen mensen op basis van rijkdom, titel, kleding en retoriek, terwijl de werkelijke maat van een mens elders ligt. Die werkelijke maat is de deugd, het innerlijk vermogen om goed te leven. Hiermee plaatst hij zich in een traditie die teruggaat tot de Griekse oudheid, maar die in de zestiende eeuw allesbehalve vanzelfsprekend was. In een samenleving die doordrenkt was van standsverschillen, was het beweren dat een boer evenveel innerlijke waardigheid kon bezitten als een koning een daad van intellectuele moed.

Die moed was niet ongegrond. Montaigne kon leunen op een rijk filosofisch erfgoed dat hij met zorg had bestudeerd en dat hij, zoals zijn gewoonte was, niet klakkeloos overnam maar proevend en wikkend verwerkte.

Seneca en de stoïcijnse gelijkheidsgedachte

De sterkste filosofische stroom die door dit essay loopt, is het stoïcisme. Seneca, die Montaigne uitvoerig las en citeerde, betoogde in zijn Brieven aan Lucilius dat fortuin en geboorte niets afdoen aan de morele gelijkwaardigheid van mensen. Een slaaf die deugdzaam leeft, staat in stoïcijnse zin hoger dan een tiran die zijn hartstochten volgt. Dit idee doorkruiste de hele Romeinse standensamenleving en het is precies deze gedachte die Montaigne opneemt en toepast op het Frankrijk van zijn tijd. Waar Seneca schreef vanuit een kosmopolitisch ideaal, waarin alle mensen delen in dezelfde universele rede, vertaalt Montaigne dat naar een persoonlijke, tastbare observatie: kijk om je heen, en je ziet dat rang en stand niets garanderen over karakter.

Daarnaast echo’t in het essay de stem van Epictetus, de voormalige slaaf die leerde dat het enige wat werkelijk van ons is, onze innerlijke houding betreft. Montaigne bezat het Enchiridion in een vertaling en kende de kern ervan: vrijheid is niet een kwestie van ketenen of hun afwezigheid, maar van de geest die zich al dan niet laat ketenen.

Plutarchus en de kunst van het vergelijken

Naast de stoïcijnen was Plutarchus een van Montaignes meest geliefde bronnen. De Levens van Plutarchus boden een methode die Montaigne gretig overnam: het naast elkaar plaatsen van twee figuren om door vergelijking tot inzicht te komen. In het essay over ongelijkheid gebruikt Montaigne een vergelijkbare techniek. Hij zet de uiterlijke pracht van koningen af tegen het sobere maar waarachtige leven van gewone mensen. Waar Plutarchus grote Grieken en Romeinen vergeleek om hun deugden te wegen, vergelijkt Montaigne standen en rollen om de leegte van uiterlijk vertoon bloot te leggen.

Plutarchus bood Montaigne bovendien iets dat de stoïcijnen minder hadden: een zekere mildheid, een erkenning dat mensen feilbaar zijn en dat wijsheid niet betekent dat je boven anderen staat, maar dat je jezelf kent. Die zelfinzicht-ethiek resoneert door het hele essay heen.

Sceptische twijfel als methode

Montaignes denken is onlosmakelijk verbonden met het pyrrhonistisch scepticisme, de filosofische stroming die stelt dat wij over de meeste zaken geen zeker oordeel kunnen vellen. Zijn lijfspreuk ‘Que sais-je?’ (‘Wat weet ik?’) is niet alleen een retorische vraag maar een levenshouding. In het essay over ongelijkheid werkt deze houding subtiel door: als wij niet eens zeker weten wat ons eigen karakter behelst, hoe kunnen wij dan met zekerheid beweren dat de ene mens meer waard is dan de andere? De sceptische twijfel ondermijnt elk hiërarchisch systeem dat gebaseerd is op schijnbare zekerheden zoals afkomst of bezit.

Sextus Empiricus, wiens werk in de zestiende eeuw opnieuw in omloop kwam en dat Montaigne diepgaand beïnvloedde, leverde het gereedschap voor deze ontmanteling. Het scepticisme gaf Montaigne de vrijheid om te twijfelen aan conventies die anderen voor natuurlijk hielden.

Renaissancehumanisme: de mens als maatstaf

Het bredere intellectuele klimaat waarin Montaigne schreef, was dat van het renaissancehumanisme. Denkers als Erasmus en Pico della Mirandola hadden eerder betoogd dat de menselijke waardigheid niet afhing van geboorterecht maar van het vermogen tot rede, creativiteit en morele keuze. Pico’s beroemde Rede over de waardigheid van de mens stelde dat de mens als enig wezen zichzelf kan vormen. Montaigne neemt dat idee op, maar voegt er zijn kenmerkende bescheidenheid aan toe: ja, de mens kan zichzelf vormen, maar hij doet dat meestal slechter dan hij denkt.

Deze combinatie van humanistisch vertrouwen en sceptische voorzichtigheid maakt Montaignes positie uniek. Hij is geen idealist die de mens verheerlijkt, noch een cynicus die hem afschrijft. Hij observeert, weegt, en laat het oordeel open.

De ethische kern en de vrijmetselarij

Wat maakt deze filosofische achtergrond relevant voor de vrijmetselarij? De loge is een ruimte waarin uiterlijke onderscheidingen worden afgelegd. Titel, beroep en maatschappelijke positie doen er binnen de tempelarbeid niet toe. Wat telt, is het innerlijke streven naar verbetering, naar wat Montaigne ‘deugd’ noemt en wat in de maçonnieke traditie ‘het bewerken van de ruwe steen’ heet. De stoïcijnse gelijkheidsgedachte, de sceptische twijfel aan uiterlijke zekerheden en het humanistische vertrouwen in menselijke vormbaarheid zijn alle drie verweven met de grondbeginselen van de broederschap.

Montaignes essay over ongelijkheid onthult dat ware gelijkwaardigheid niet wordt geschonken door wet of conventie, maar wordt ontdekt door eerlijk naar binnen te kijken, precies daar waar ook de vrijmetselarij haar werk begint.

Montaigne was geen vrijmetselaar. De georganiseerde vrijmetselarij zoals wij die kennen, ontstond pas ruim een eeuw na zijn dood, toen in 1717 de eerste Grootloge werd opgericht en James Anderson zijn constituties opstelde. Maar de intellectuele bodem waarop de vrijmetselarij groeide, was dezelfde die Montaigne bewerkte. De vraag die hij openlaat, is dezelfde die iedere leerling bij zijn inwijding meekrijgt: als alles wat je bezit en vertegenwoordigt wordt weggenomen, wat blijft er dan over?

Montaignes essay over de ongelijkheid tussen mensen is geen simpele oproep tot gelijkheid. Het is een filosofische vingerwijzing naar de bronnen van ons oordeel: stoïcijnse ethiek die ons leert dat fortuin irrelevant is, sceptische twijfel die elke zekerheid over rang ondermijnt, en humanistisch vertrouwen dat de mens zichzelf kan vormen. Die drievoudige erfenis maakt dit essay tot meer dan een historisch document. Het is een levende uitnodiging om, zoals Montaigne deed en zoals de vrijmetselarij het voorstaat, steeds opnieuw de vraag te stellen: beoordeel ik de ander op wat hij lijkt, of op wat hij is? En durf ik diezelfde vraag aan mezelf te stellen?


Ontvang de nieuwsbrief

In 18 informatieve e-mails krijg je wekelijks informatie over de Vrijmetselarij.

Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E

Veelgestelde vragen

Wat is de centrale stelling van Montaigne in zijn essay 'Over de ongelijkheid die er tussen ons heerst'?

Montaigne stelt dat de werkelijke ongelijkheid tussen mensen veel kleiner is dan wij denken. Hij betoogt dat uiterlijk vertoon zoals rijkdom, titel en kleding niet bepaalt wat een mens werkelijk waard is. De echte maat van een mens ligt in zijn innerlijke deugd en vermogen om goed te leven, ongeacht zijn sociale status.

Welke filosofische tradities beïnvloeden Montaignes gedachten over ongelijkheid?

Het essay wortelt in drie filosofische stromingen: stoïcijnse ethiek (vooral via Seneca), sceptische twijfel en renaissancehumanisme. Met name het stoïcisme vormt de sterke filosofische basis, waarin het idee centraal staat dat morele gelijkwaardigheid niet afhangt van geboorte of fortuin, maar van deugdzaam leven.

Hoe relateert Montaignes filosofie zich tot de vrijmetselarij?

Zowel Montaignes filosofie als de vrijmetselarij stellen centraal dat uiterlijk vertoon niets zegt over de ware aard van een mens. In beide wordt gesteld dat de werkelijke rang en waarde van iemand bepaald wordt door innerlijke kwaliteiten en deugd, niet door sociale status of externe schijn.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*