Wat als pijn geen objectief kwaad is, maar slechts datgene wat wij ervan maken? In zijn veertiende essay uit het eerste boek van de Essays onderzoekt Michel de Montaigne een gedurfde stelling: dat onze waarneming van goed en kwaad niet afhangt van de dingen zelf, maar van de mening die wij erover vormen. Dit inzicht, dat teruggrijpt op de stoïcijnse filosofie van denkers als Epictetus en Marcus Aurelius, raakt aan de kern van menselijke vrijheid. Als wij werkelijk meester kunnen worden over onze oordelen, opent zich een pad naar innerlijke rust te midden van alle onrust.
De kerngedachte van het essay
Montaigne opent dit essay met een verwijzing naar een klassiek citaat dat hij toeschrijft aan Epictetus: het zijn niet de dingen die ons verontrusten, maar onze oordelen over die dingen. Deze gedachte vormt de ruggengraat van het hele betoog. Montaigne onderzoekt hoe dezelfde gebeurtenis door verschillende mensen volstrekt anders ervaren kan worden. Wat voor de een ondraaglijk lijden is, blijkt voor de ander een uitdaging of zelfs een bron van trots. De vraag rijst dan: waar schuilt het kwaad werkelijk? In de gebeurtenis zelf, of in de lens waardoor wij ernaar kijken?
Het essay is geen droge filosofische verhandeling, maar een levendig tapijt van voorbeelden, citaten en persoonlijke observaties. Montaigne put rijkelijk uit de klassieken, van Seneca tot Cicero, maar weeft daar zijn eigen ervaringen doorheen. Hij erkent dat deze leer niet eenvoudig te volgen is, want hoe zeg je tegen iemand met nierstenen dat zijn pijn slechts een mening is? Toch dringt hij aan: zelfs als wij de pijn niet kunnen wegnemen, kunnen wij de wijze waarop wij ermee omgaan transformeren.
Voorbeelden van lijden en interpretatie
Om zijn stelling kracht bij te zetten, haalt Montaigne talrijke historische voorbeelden aan. Hij beschrijft soldaten die met opgeheven hoofd hun eigen executie tegemoet traden, filosofen die in ballingschap hun sereniteit behielden, en gewone burgers die ondanks armoede een rijk innerlijk leven leidden. Tegenover hen plaatst hij koningen en machthebbers die, ondanks hun weelde, gekweld werden door angst en onvrede. De boodschap is helder: uiterlijke omstandigheden bepalen niet ons welzijn.
Bijzonder treffend is zijn bespreking van de dood. Montaigne betoogt dat de dood zelf geen kwaad is, maar dat onze vrees ervoor, onze voorstellingen en verwachtingen, de werkelijke bron van ons lijden vormen. Hij citeert Lucretius, die schreef dat de dood ons niet aangaat, want waar wij zijn is de dood niet, en waar de dood is, zijn wij niet. Deze gedachte, hoewel moeilijk te doorgronden, wijst naar een mogelijke bevrijding uit de greep van angst.
De rol van gewoonte en opvoeding
Montaigne erkent dat onze meningen niet in een vacuüm ontstaan. Zij worden gevormd door opvoeding, cultuur en gewoonte. Wat de ene samenleving als onverdraaglijk beschouwt, accepteert een andere als vanzelfsprekend. Hij beschrijft volkeren die pijn als een ereteken dragen, vrouwen die fysiek lijden als een passage naar volwassenheid beschouwen, en asceten die ontbering zoeken als een pad naar verlichting. Dit culturele relativisme is geen argument voor onverschilligheid, maar een uitnodiging tot zelfreflectie: welke van mijn oordelen zijn werkelijk van mij, en welke heb ik klakkeloos overgenomen?
Niet de gebeurtenissen zelf bepalen ons lijden, maar de betekenis die wij eraan toekennen.
De grenzen van de rede
Hoewel Montaigne de kracht van het oordeel prijst, is hij geen naïeve rationalist. Hij erkent dat er momenten zijn waarop de pijn zo overweldigend is dat elk filosofisch argument machteloos lijkt. De rede kan ons voorbereiden, kan ons perspectief bieden, maar is geen onfeilbaar schild. Montaigne schrijft met de bescheidenheid van iemand die zelf lijden kent. Hij had last van nierstenen, een kwaal die in zijn tijd zonder verdoving doorstaan moest worden. Zijn filosofie is geen armchair wisdom, maar getoetst aan de rauwe werkelijkheid van het lichaam.
Toch houdt hij vol dat zelfs een gedeeltelijke beheersing van onze oordelen waarde heeft. Als wij de pijn niet kunnen elimineren, kunnen wij wellicht voorkomen dat zij ons hele wezen overneemt. Als wij de dood niet kunnen ontlopen, kunnen wij wellicht leven zonder voortdurend in haar schaduw te staan. Dit is geen triomfalisme, maar een bescheiden hoop op menselijke waardigheid.
Resonantie met de vrijmetselarij
De thematiek van dit essay resoneert diep met de vrijmetselarij. In de logearbeid staat de ruwe steen centraal als symbool voor de mens in zijn onbewerkte staat, vol vooroordelen, onbewuste aannames en ongetoetste meningen. Het werk van de vrijmetselaar is deze steen te bewerken, te polijsten, door middel van zelfkennis en reflectie. Montaignes inzicht dat onze oordelen de bron zijn van veel lijden, is een uitnodiging tot precies dit soort innerlijk werk.
De vrijmetselarij leert haar leden om niet klakkeloos de meningen van de buitenwereld over te nemen, maar zelf te denken, te onderzoeken, en pas dan te oordelen. Dit is geen relativisme dat alles gelijkschakelt, maar een oproep tot intellectuele en morele zelfstandigheid. Zoals Montaigne ons voorhoudt dat onze waarneming van goed en kwaad afhankelijk is van onze mening, zo leert de vrijmetselarij dat ware wijsheid begint met het bevragen van onze eigen oordelen.
Een uitnodiging tot zelfreflectie
Het essay eindigt niet met een definitief antwoord, maar met een uitnodiging. Montaigne pretendeert niet de waarheid in pacht te hebben. Hij deelt zijn overpeinzingen, zijn twijfels, zijn voorlopige conclusies. Deze bescheidenheid is kenmerkend voor zijn hele oeuvre. Hij nodigt de lezer uit om zelf na te denken, zelf te ervaren, zelf te oordelen. Niet om zijn mening klakkeloos over te nemen, maar om in gesprek te gaan met de tekst en met zichzelf.
Montaignes veertiende essay is een tijdloze meditatie over de aard van menselijk lijden en de macht van het oordeel. Het daagt ons uit om onze vanzelfsprekende aannames te bevragen en te onderzoeken in hoeverre wij zelf de architecten zijn van ons ongeluk. Tegelijk erkent het de grenzen van de rede en de hardnekkigheid van pijn. Deze spanning, tussen ideaal en werkelijkheid, maakt het essay zo rijk en zo menselijk. Voor wie zich aangetrokken voelt tot de vrijmetselarij, biedt het een filosofische onderbouwing van het werk aan de ruwe steen. De vraag blijft hangen: welke oordelen houden ons gevangen, en welke bevrijding is mogelijk als wij leren anders te kijken?
Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E
Veelgestelde vragen
Wat is de hoofdgedachte van Montaigne in dit essay over goed en kwaad?
Montaigne stelt dat goed en kwaad niet inherent in dingen schuilen, maar worden bepaald door onze oordelen erover. Deze stoïcijnse wijsheid, die aansluit bij vrijmetselarij's nadruk op zelfkennis en innerlijke ontwikkeling, suggereert dat wij door onze meningen te beheersen, meester kunnen worden over ons welzijn en inner rust kunnen bereiken.
Hoe ondersteunt Montaigne zijn stelling met voorbeelden?
Montaigne illustreert zijn betoog met talrijke historische voorbeelden van soldaten, filosofen en gewone burgers die ondanks tegenspoed hun sereniteit behielden, tegenover machthebbers die ondanks rijkdom gekweld werden door angst. Deze voorbeelden tonen aan dat onze innerlijke houding, niet onze uiterlijke omstandigheden, ons ware welzijn bepaalt—een principe dat sterk aansluit bij vrijmetselarij's streven naar spirituele perfectie.
Welke rol spelen gewoonte en opvoeding volgens Montaigne?
Montaigne erkent dat onze meningen worden gevormd door opvoeding, cultuur en gewoonte, wat aantoont dat ons oordeel niet vastligt maar kan worden ontwikkeld. Dit inzicht sluit aan bij de vrijmetselarij's overtuiging dat mens zich door onderwijs en zelfbezinning kan verheffen en bewust kan kiezen welke waarden hij aanneemt.
Hoe behandelt Montaigne het thema van dood en angst in dit essay?
Montaigne betoogt dat de dood zelf geen kwaad is, maar dat onze vrees en voorstellingen daarover de werkelijke bron van lijden vormen. Door onze perceptie van de dood te transformeren, kunnen wij ons bevrijden uit angst—een diepgaande les in innerlijke vrijheid die resoneert met de vrijmetselarij's doel om bewustzijn en bevrijding na te streven.
Wat is de praktische waarde van Montaignes filosofie voor het dagelijkse leven?
Hoewel Montaigne erkent dat deze leer niet eenvoudig toe te passen is, stelt hij dat wij zelfs wanneer wij fysieke pijn niet kunnen wegnemen, wel kunnen transformeren hoe wij ermee omgaan. Dit praktische inzicht ondersteunt de vrijmetselarij's ideaal van persoonlijke groei en zelfbeheersing als weg naar wijsheid en harmonie.
Geef als eerste een reactie