Voltaire en Candide: filosofische wortels van lijden en hoop
Wanneer Voltaire in 1759 zijn satirische meesterwerk Candide publiceert, ontketent hij een filosofische aardbeving. Het vierde deel van dit werk confronteert de lezer meedogenloos met lijden, maar weigert tegelijkertijd de hoop volledig los te laten. Hoe kan een denker die de menselijke ellende zo scherp tekent, toch een pad naar zingeving openhouden? De antwoorden liggen in een rijke intellectuele erfenis die reikt van de Stoïcijnse wijsgeren tot de salons van de Verlichting, en die verrassend raakt aan idealen die ook de vrijmetselarij koestert. Twee perspectieven op het kwaad Om Voltaires behandeling van lijden te begrijpen, moeten we twee fundamenteel verschillende wereldbeelden naast elkaar leggen. Aan de ene kant staat het optimisme van Gottfried Wilhelm Leibniz, de Duitse filosoof die beweerde dat wij leven in de beste van alle mogelijke werelden. Volgens Leibniz heeft God, als volmaakt wezen, noodzakelijkerwijs de meest harmonieuze schepping gecreëerd. Elk kwaad dient een hoger doel; elk lijden past in een groter kosmisch plan. Aan de andere kant staat Voltaire zelf, die dit optimisme met bijtende ironie fileert. Na de verwoestende aardbeving van Lissabon in 1755, waarbij tienduizenden mensen omkwamen, kon hij onmogelijk nog geloven dat alle ellende een goddelijke rechtvaardiging kent. Candide, de naïeve held, wordt […]