Bescheidenheid als kracht: wat vrijmetselaars weten over succes
In de achttiende eeuw, toen de eerste grootloges in Europa hun deuren openden, gold er een ongeschreven regel die tot vandaag de dag relevant blijft: wie binnentreedt, laat zijn maatschappelijke rang achter bij de deur. Of je nu bakker was of bankier, je positie in de loge werd bepaald door je innerlijke groei, niet door je externe successen. Dit principe werpt een verrassend licht op een uitspraak die deze week de media haalde, over het besef dat niet alles wat men aanraakt in goud verandert. De alchemistische mythe doorgeprikt De uitdrukking ‘alles wat ik aanraak verandert in goud’ verwijst naar koning Midas uit de Griekse mythologie. Zijn verhaal eindigt tragisch: hij sterft bijna van honger omdat ook zijn voedsel in goud verandert. Al in de vroegste filosofische tradities begrepen denkers dat de Midas-mythe een waarschuwing was tegen hybris, de overmoed die ontstaat wanneer succes naar het hoofd stijgt. De vrijmetselarij, die haar wortels heeft in de middeleeuwse bouwgilden, kende deze les al eeuwen. De steenhouwers die de grote kathedralen bouwden, wisten dat elk meesterwerk het resultaat was van talloze mislukte pogingen, gebroken stenen en eindeloos geduld. Hun wijsheid: ware vakmanschap onthult zich niet in perfectie, maar in het vermogen om […]