Plato’s Phaedo: filosofische wortels van de onsterfelijkheid
Een beker. Simpel aardewerk, gevuld met een vloeistof die het leven beëindigt. Toch is het juist dit alledaagse voorwerp dat in Plato’s Phaedo het toneel wordt van een van de meest ingrijpende filosofische gesprekken uit de westerse traditie. Terwijl Socrates de gifbeker nadert, ontvouwt zich een dialoog die vraagt naar wat er van ons overblijft wanneer het lichaam sterft. De beker wordt zo een drempel, een overgang van het zichtbare naar het onzichtbare. Om te begrijpen waarom Plato deze dialoog schreef zoals hij deed, moeten we afdalen naar de filosofische bronnen die zijn denken voedden. De Orfische mysteries en de ziel als gevangene Plato’s overtuiging dat de ziel onsterfelijk is en het lichaam slechts een tijdelijke verblijfplaats, wortelt diep in de Orfische traditie. Deze mysterieschool, vernoemd naar de mythische zanger Orpheus, leerde dat de ziel goddelijk van oorsprong is maar door een oerzonde gevangen raakte in het lichaam. Het Griekse woord ‘soma’ (lichaam) werd door de Orfieken verbonden met ‘sema’ (graf): het lichaam als grafkamer van de ziel. In de Phaedo herkennen we deze gedachte wanneer Socrates spreekt over het lichaam als belemmering voor de ziel om tot ware kennis te komen. De zintuigen misleiden ons, de begeerten verstoren ons […]