Montaigne over lot en rede: wanneer toeval wijsheid brengt
In het jaar 1572, terwijl de religieuze conflicten Frankrijk verscheurden, trok Michel de Montaigne zich terug in de torenkamer van zijn kasteel. Daar, omringd door boeken en inscripties in de balken, begon hij aan een reeks essays die de westerse denktradities voorgoed zouden veranderen. In zijn drieëndertigste essay uit het eerste boek onderzoekt hij een paradox die zowel generaals als filosofen heeft gefascineerd: hoe het blinde lot soms precies die uitkomsten produceert die de scherpste menselijke rede niet had kunnen bedenken. De kerngedachte van het essay Montaigne opent zijn betoog met een ogenschijnlijk tegenstrijdige stelling: het toeval, dat wij doorgaans beschouwen als de tegenpool van beredeneerd handelen, blijkt regelmatig uitkomsten te produceren die beter zijn dan de meest zorgvuldige plannen. Dit is geen pleidooi voor luiheid of onverschilligheid, maar een uitnodiging tot bescheidenheid. De menselijke rede, hoe verfijnd ook, kan onmogelijk alle variabelen van het bestaan overzien. Het lot, daarentegen, opereert buiten de beperkingen van onze beperkte kennis. Deze gedachte sluit aan bij de stoïsche traditie waaruit Montaigne rijkelijk putte. Denkers als Seneca en Marcus Aurelius erkenden eveneens dat de wijze mens niet alles kan beheersen. Het verschil bij Montaigne is zijn lichtvoetige benadering: hij presenteert geen streng filosofisch systeem, […]