Montaigne over ongelijkheid en de verbinding met vrijmetselarij

Vrijmetselarij - Montaigne over ongelijkheid en de verbinding met vrijmetselarij

Het is laat in de avond. Een man zit in een halfverlichte ruimte, omringd door broeders die hij al jaren kent. Sommigen dragen een pak, anderen een eenvoudig overhemd. Een bankier zit naast een timmerman, een lerares naast een chirurg. Niemand hier meet zichzelf af aan rang of titel. In die stilte, vlak voor het ritueel begint, voelt hij iets dat Michel de Montaigne meer dan vier eeuwen geleden al probeerde te vangen in woorden: dat de werkelijke waarde van een mens nooit aan de buitenkant zichtbaar is.

Wat Montaigne ons voorhoudt over menselijke ongelijkheid

In zijn tweeënveertigste essay uit het eerste boek van de Essays onderzoekt Michel de Montaigne de ongelijkheid die er tussen mensen heerst. Zijn betoog is op het eerste gezicht eenvoudig, maar snijdt diep. Montaigne stelt dat wij mensen voortdurend verward raken door uiterlijkheden. Wij kennen macht, rijkdom en aanzien toe aan personen, en vergeten daarbij dat deze zaken los staan van de innerlijke kwaliteit van een mens. Een koning in prachtige gewaden is, wanneer die gewaden worden afgelegd, niet per definitie meer dan de bedelaar op straat. Montaigne verwijst hierbij naar Seneca, die in zijn brieven al betoogde dat deugd het enige bezit is dat werkelijk van ons is. Het is een gedachte die ook Plato en Aristoteles al eerder in verschillende vormen uitspraken: uiterlijke onderscheidingen zeggen weinig over de ziel.

Montaigne gaat verder dan louter filosofische theorie. Hij beschrijft concrete voorbeelden van heersers die, ontdaan van hun gevolg en hun troon, volkomen gewone of zelfs beklagenswaardige figuren bleken. Hij noemt hoe de Romeinse keizer de schijn van grootsheid ophield terwijl zijn innerlijk leven arm en angstig was. Het essay is daarmee niet alleen een intellectuele oefening, maar een morele oproep: beoordeel een mens naar wat hij ís, niet naar wat hij bezit of representeert.

De loge als ruimte voorbij de schijn

Wie de vrijmetselarij kent, herkent in Montaignes betoog een principe dat in de loge vanaf het allereerste moment wordt beoefend. Wanneer een kandidaat wordt ingewijd, wordt hij bewust ontdaan van uiterlijke tekenen van status. Metalen worden afgelegd. Kleding wordt vereenvoudigd. Dit is geen toevallig ritueel gebaar, maar een diepgewortelde overtuiging: de mens die de loge binnentreedt, wordt uitgenodigd om zichzelf te ontmoeten zonder de bescherming van maatschappelijke rollen. Precies zoals Montaigne het beschrijft wanneer hij zegt dat we de mens moeten bekijken zoals hij werkelijk is, “tot op het hemd”.

In de vrijmetselarij is broederschap geen abstract ideaal. Het is een dagelijkse praktijk die vraagt om het opzijzetten van precies die ongelijkheden die Montaigne ontleedt. De bankier en de timmerman ontmoeten elkaar op de waterpas, een begrip dat in de maçonnieke traditie verwijst naar gelijkwaardigheid. Niet gelijkheid in de zin van eenvormigheid, maar de erkenning dat ieders innerlijke reis evenveel waarde heeft, ongeacht de uiterlijke omstandigheden waaronder die reis plaatsvindt.

Deugd als enige maatstaf

Montaigne keert in dit essay steeds terug naar één kerngedachte: de enige werkelijke maatstaf voor de waarde van een mens is zijn deugdzaamheid. Hij citeert daarbij de stoïcijnse traditie, met name Seneca, die stelde dat fortuin ons veel kan geven en veel kan afnemen, maar dat zij nooit onze innerlijke houding kan bepalen. Deze overtuiging loopt als een rode draad door de vrijmetselarij. De zoektocht naar morele perfectie, hoe onbereikbaar die ook mag lijken, vormt het hart van de maçonnieke arbeid. Niet perfectie als eindbestemming, maar als richting. Niet foutloosheid, maar het voortdurende streven om een beter mens te worden.

De vrijmetselarij leert wat Montaigne al wist: dat ware verbinding pas mogelijk is wanneer we de moed hebben om voorbij rang, bezit en titel te kijken naar de mens die tegenover ons staat.

Montaigne beschrijft hoe mensen geneigd zijn om de glans van een ambt te verwarren met de persoon die het ambt bekleedt. In de loge wordt dit bewust doorbroken. Tijdens de rituele arbeid spreekt men elkaar aan als broeder, ongeacht de functie die iemand buiten de logemuren vervult. Dit schept een ruimte die zeldzaam is in de moderne samenleving: een ruimte waarin je wordt gezien om wie je bent, niet om wat je vertegenwoordigt.

Zelfreflectie als brug tussen Montaigne en de vrijmetselaar

Een van de meest opmerkelijke overeenkomsten tussen Montaignes denken en de vrijmetselarij ligt in de praktijk van zelfreflectie. Montaigne schreef zijn Essays niet om anderen de les te lezen, maar om zichzelf te onderzoeken. “Ik ben zelf de stof van mijn boek,” schreef hij in zijn voorwoord. Deze radicale eerlijkheid jegens het eigen tekort, de eigen ijdelheid en de eigen blinde vlekken is precies wat de vrijmetselarij van haar leden vraagt. De ruwe steen, het beeld van de onbewerkte mens, wordt niet door een ander gehouwen. Het is arbeid die ieder voor zichzelf moet verrichten.

Waar Montaigne de pen gebruikte als werktuig voor zelfinzicht, gebruikt de vrijmetselaar het ritueel. Beide methoden zijn gericht op hetzelfde doel: het eerlijk onder ogen zien van de eigen beperkingen, en van daaruit groeien. Montaigne zou zich in een loge wellicht thuis hebben gevoeld, niet ondanks zijn twijfels en vragen, maar juist dankzij die houding. Want in de vrijmetselarij is twijfel geen zwakte. Het is het begin van wijsheid.

Verbinding voorbij verschil

Het essay van Montaigne over de ongelijkheid tussen mensen is uiteindelijk geen cynisch betoog. Het is een uitnodiging om dieper te kijken, om de mens achter het masker te zoeken. In de vrijmetselarij wordt die uitnodiging elke bijeenkomst opnieuw aangeboden. Broeders en zusters van uiteenlopende achtergronden, met uiteenlopende overtuigingen en levensverhalen, komen samen rond gedeelde waarden: waarheidsliefde, naastenliefde, en het verlangen naar innerlijke groei. Dat is geen naïef idealisme. Het is een bewuste keuze om verbinding te zoeken voorbij de verschillen die de wereld ons opdringt.

Montaigne laat ons zien dat ongelijkheid vooral een verhaal is dat wij onszelf vertellen. De vrijmetselarij biedt een ruimte waarin dat verhaal even op pauze mag staan, zodat er iets anders zichtbaar wordt: de gedeelde menselijkheid die ons, ondanks alles, met elkaar verbindt.

Wanneer de loge sluit en de broeders weer naar buiten stappen, de nacht in, nemen zij iets mee dat niet in woorden te vatten is. Het is het besef dat Montaigne vier eeuwen geleden al verwoordde en dat in elke maçonnieke bijeenkomst opnieuw ervaren wordt: dat de werkelijke ontmoeting tussen mensen pas begint waar de uiterlijke ongelijkheid eindigt. Dat besef is geen eindpunt, maar een vertrekpunt. Voor wie bereid is om te kijken, ligt daar de weg naar echte verbinding.


Ontvang de nieuwsbrief

In 18 informatieve e-mails krijg je wekelijks informatie over de Vrijmetselarij.

Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E

Veelgestelde vragen

Wat is de belangrijkste stelling van Montaigne over ongelijkheid tussen mensen?

Montaigne stelt dat mensen voortdurend verward raken door uiterlijkheden zoals macht, rijkdom en aanzien, terwijl deze zaken niets zeggen over de werkelijke innerlijke kwaliteit van een mens. Een koning is zonder zijn gewaden en macht niet per definitie meer waard dan een bedelaar. Volgens Montaigne is deugd het enige bezit dat werkelijk van ons is.

Hoe wordt het principe van Montaigne over gelijkheid in de vrijmetselarij toegepast?

In de vrijmetselaarsloge worden kandidaten bij de inwijding bewust ontdaan van uiterlijke tekens van status. Metalen worden afgelegd en kleding wordt vereenvoudigd. Dit ritueel stelt leden in staat elkaar te ontmoeten zonder de bescherming van maatschappelijke rollen, zodat een bankier naast een timmerman kan zitten als gelijken.

Welke andere filosofen hebben Montaignes gedachten over ongelijkheid voorafgegaan?

Seneca betoogde al dat deugd het enige werkelijke bezit is. Ook Plato en Aristoteles hebben in verschillende vormen uitgesproken dat uiterlijke onderscheidingen weinig zeggen over de ziel van een mens. Montaigne bouwt dus voort op een lange filosofische traditie.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*