Wat maakt de ene mens verheven boven de andere? Is het geboorte, rijkdom, of iets wezenlijkers? In zijn zevenendertigste essay uit het eerste boek stelt Michel de Montaigne deze vraag met de hem kenmerkende scherpte en eerlijkheid. ‘Over de gelijkheid onder ons’ is een kort maar krachtig betoog dat de fundamenten van menselijke hiërarchie onderzoekt en bevraagt. Dit essay, geschreven in de zestiende eeuw, draagt een boodschap die ook vandaag nog resoneert, niet in het minst binnen de vrijmetselarij, waar broeders elkaar als gelijken ontmoeten, ongeacht hun maatschappelijke positie.
De centrale stelling: gelijkheid als natuurlijke staat
Montaigne opent zijn essay met een provocerende gedachte: ondanks alle uiterlijke verschillen tussen mensen, zijn wij in wezen gelijk. Hij wijst erop dat de afstand tussen een koning en een boer kleiner is dan we doorgaans aannemen. Beide zijn onderworpen aan dezelfde menselijke zwakheden, dezelfde lichamelijke behoeften, dezelfde sterfelijkheid. De filosoof citeert klassieke schrijvers om zijn punt te onderstrepen, onder wie Seneca, die eveneens de gelijkheid van mensen benadrukte ongeacht hun sociale status.
Wat Montaigne bijzonder maakt, is zijn weigering om te moraliseren. Hij constateert simpelweg dat rang en stand menselijke constructies zijn die geen wezenlijk verschil maken voor onze fundamentele menselijkheid. Een vorst kan even bang zijn voor de dood als de armste bedelaar. De rijkste koopman wordt net zo getroffen door koorts als de eenvoudigste landarbeider.
Voorbeelden uit de klassieke oudheid
Om zijn betoog kracht bij te zetten, put Montaigne rijkelijk uit de klassieke literatuur. Hij verwijst naar anekdotes over Romeinse keizers die, ondanks hun vrijwel goddelijke status, dezelfde angsten en twijfels kenden als gewone stervelingen. De filosoof haalt Marcus Aurelius aan, wiens ‘Overpeinzingen’ getuigen van de innerlijke strijd die zelfs de machtigste heerser voert. Ook Plato komt voorbij, met zijn opvatting dat ware wijsheid geen exclusief domein is van de elite.
Montaigne gebruikt deze voorbeelden niet om te betogen dat hiërarchie zinloos is, maar om aan te tonen dat zij niet correspondeert met werkelijke menselijke waarde. De bediende kan wijzer zijn dan zijn meester, de soldaat moediger dan zijn generaal. Externe tekenen van status zeggen niets over de innerlijke mens.
De illusie van superioriteit
Een kernthema in dit essay is de kritiek op menselijke ijdelheid. Montaigne observeert hoe mensen geneigd zijn zich te verheffen boven anderen op basis van oppervlakkige kenmerken. Kleding, titel, bezit: het zijn allemaal attributen die we aan onszelf hechten om een gevoel van superioriteit te creëren. Maar ontdoe de mens van deze uiterlijkheden, en wat blijft er over? Precies dezelfde kwetsbare, zoekende, onzekere wezens die wij allemaal zijn.
Ware gelijkheid schuilt niet in het ontkennen van verschillen, maar in het erkennen dat geen enkel verschil onze gedeelde menselijkheid opheft.
Deze observatie maakt het essay tijdloos. De zestiende-eeuwse adel waaraan Montaigne refereert, mag dan verdwenen zijn, de neiging om ons te verheffen bestaat nog steeds. Of het nu gaat om academische titels, financieel succes of sociale status, de mens blijft geneigd hiërarchieën te construeren die bij nadere beschouwing weinig te maken hebben met intrinsieke waarde.
De broederschap als gelijkmaker
Voor vrijmetselaren heeft dit essay een bijzondere resonantie. De loge is bij uitstek een ruimte waar maatschappelijke onderscheidingen worden afgelegd. Of iemand buiten de tempel directeur is of timmerman, binnen die ruimte ontmoeten broeders elkaar op gelijke voet. Dit principe, dat in de achttiende eeuw door James Anderson en Jean Théophile Désaguliers werd gecodificeerd in de vroege constituties van de vrijmetselarij, weerspiegelt precies wat Montaigne twee eeuwen eerder al betoogde.
De rituelen en symbolen van de vrijmetselarij benadrukken deze gelijkheid voortdurend. De blinddoek tijdens de initiatie, het afleggen van metalen voorwerpen: het zijn allemaal handelingen die de kandidaat ontdoen van zijn uiterlijke kenmerken en hem terugbrengen tot zijn essentie. Montaigne zou deze praktijk ongetwijfeld hebben gewaardeerd als een concrete uitdrukking van zijn filosofische inzichten.
Gelijkheid en zelfreflectie
Wat Montaignes essay onderscheidt van een simpel pleidooi voor democratie of nivellering, is de nadruk op zelfreflectie. De filosoof vraagt zijn lezer niet om anderen als gelijk te behandelen vanuit een moreel gebod, maar vanuit een eerlijk onderzoek naar zichzelf. Wie werkelijk naar binnen kijkt, ontdekt daar dezelfde twijfels, angsten en tekortkomingen die hij bij anderen veroordeelt. Gelijkheid wordt zo niet iets wat we aan anderen verlenen, maar iets wat we in onszelf ontdekken.
Deze benadering sluit naadloos aan bij het vrijmetselarische ideaal van zelfkennis. De spreuk ‘Ken uzelf’, afkomstig van het orakel van Delphi en door Socrates tot filosofisch principe verheven, vormt de kern van beide tradities. Wie zichzelf kent, kent ook zijn gelijkheid met alle andere mensen.
De relevantie voor vandaag
In een tijd waarin sociale media en publieke debatten vaak worden gedomineerd door pogingen tot zelfverheffing, biedt Montaignes essay een verfrissend tegengif. Zijn boodschap is niet dat alle mensen identiek zijn of dat verschillen ontkend moeten worden. Integendeel: hij viert diversiteit, maar weigert daaraan een waardeoordeel te verbinden. De bakker en de bankier, de kunstenaar en de ambtenaar, zij allen delen dezelfde menselijke conditie.
Voor de vrijmetselarij blijft dit inzicht fundamenteel. De loge functioneert als een laboratorium waar dit principe in praktijk wordt gebracht, waar mannen van uiteenlopende achtergronden samenkomen om te werken aan gedeelde idealen. Montaignes essay herinnert ons eraan waarom die praktijk zo waardevol is: niet als utopisch ideaal, maar als eerlijke erkenning van wie wij werkelijk zijn.
Michel de Montaignes essay ‘Over de gelijkheid onder ons’ is meer dan een historische curiositeit. Het is een uitnodiging tot eerlijke zelfreflectie en een herinnering dat de verschillen die wij zo belangrijk achten, uiteindelijk oppervlakkig zijn. De kernboodschap, dat wij allen delen in dezelfde menselijke conditie, vormt een fundament waarop zowel persoonlijke groei als broederlijke verbondenheid kan worden gebouwd. In die zin blijft dit korte essay na meer dan vier eeuwen nog steeds relevant voor iedereen die nadenkt over wat ons als mensen verbindt.
Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E
Veelgestelde vragen
Wat is de centrale boodschap van Montaignes essay 'Over de gelijkheid onder ons'?
Montaigne stelt dat alle mensen in wezen gelijk zijn, ongeacht hun sociale status of rijkdom. Hij betoogt dat ondanks uiterlijke verschillen, een koning en een boer onderworpen zijn aan dezelfde menselijke zwakheden, behoeften en sterfelijkheid. Rang en stand zijn volgens Montaigne menselijke constructies die geen wezenlijk verschil maken voor onze fundamentele menselijkheid.
Welke relatie bestaat er tussen Montaignes filosofie en de vrijmetselarij?
Montaignes gedachte over gelijkheid onder alle mensen resonates sterk binnen de vrijmetselarij, waar broeders elkaar als gelijken ontmoeten ongeacht hun maatschappelijke positie. Dit principe van gelijkheid vormt een fundamenteel uitgangspunt van de vrijmetselaarse beweging, waarin status buiten de loge geen rol speelt.
Welke voorbeelden gebruikt Montaigne om zijn stelling over gelijkheid te ondersteunen?
Montaigne put uit de klassieke literatuur en verwijst naar Romeinse keizers, Marcus Aurelius en Plato. Hij geeft anekdotes over machtige heersers die dezelfde angsten en twijfels kenden als gewone stervelingen. Deze voorbeelden illustreren dat externe tekenen van status niets zeggen over de werkelijke waarde of innerlijke hoedanigheden van een mens.
Geef als eerste een reactie